KENNISPLATFORM VOOR LABORATORIA

REDACTIONEEL

EDITIE 35, MEI 2018

Feed Design Lab is motor voor innovatie in de diervoederindustrie

Dat het een keer misgaat is zeker, alleen weten we nog niet wanneer.” Dramatische woorden van Trudy van Megen, directeur van Feed Design Lab, over de beschikbaarheid van soja voor de West-Europese veevoederindustrie. Maar als je de trend van de afgelopen twintig jaar beschouwt, dan kan je niet meer denken dat het wel los zal lopen.

In 1995 ging namelijk nog zo’n 50% van de geëxporteerde sojaproductie uit Noord- en Zuid-Amerika naar Europa. Nu is dat aandeel (overigens bij gelijke hoeveelheden) nog maar 10%, terwijl 70% van de export naar China gaat. “Je kunt van alles aanmerken op soja –denk alleen al aan het gmo-verhaal– , maar anno nu zijn we in West- Europa voor 60% van alle eiwitten afhankelijk van soja. Op den duur zal de beschikbaarheid vanuit Noord- en Zuid-Amerika afnemen en dan moet je alternatieven hebben. Grootschalig verbouwen in Europa is nauwelijks een optie: boeren verdienen meer met maïs en graan, er is sowieso weinig land beschikbaar en een al te grote afhankelijkheid van Oost-Europa en verder wil je vanwege allerlei geopolitieke onzekerheden ook niet. Meer perspectief zit er in het zelf telen van alternatieve eiwitbronnen, zoals insecten en algen. Dat is dichterbij dan je denkt. Insecten worden al toegelaten in visvoer, en dit jaar is dat waarschijnlijk ook het geval voor kippenvoer. Beide bronnen hebben veel potentie, want ze zijn grondonafhankelijk te telen, met hoge opbrengsten. Bij insecten is er ook nog eens een zeer gunstige voerconversie.” De consequenties voor deze toekomstige ommezwaai in het aanbod van grondstoffen zijn voor producenten van veevoer nog nauwelijks te overzien. Moeten procesinstallaties worden aangepast? Moet er speciale apparatuur worden ontwikkeld? Hoe worden de eigenschappen van de brokken beïnvloed? Vragen waar je als individueel bedrijf niet gemakkelijk een antwoord op kan vinden, laat staan dat je zelf faciliteiten hebt om onderzoek te doen, testen te draaien.

“Meer perspectief zit er in het zelf telen van alternatieve eiwitbronnen, zoals insecten en algen.
Dat is dichterbij dan je denkt.”

Netwerk uitbouwen

Om op tijd in te kunnen spelen op dergelijke trends en gezamenlijk innovatie door te voeren hebben een kleine tien jaar geleden een tweetal spelers in de diervoederindustrie de koppen bij elkaar gestoken. Dat waren mengvoederfabrikant Vitelia en toeleverancier van machines voor de diervoederindustrie Dinnissen. Al snel kwamen daar DSM (de fabriek in Deinze) als wereldmarktleider op het gebied van additieven voor diervoeders, en de HAS (die meer wilde gaan doen aan opleidingen in de feedsector) bij. Deze vier ‘founding fathers’ hebben een plan ontwikkeld om rond een nieuw op te zetten proeffabriek een netwerk van bedrijven uit de hele keten te vormen, die ondanks dat ze deels concurrenten van elkaar zijn, toch willen samenwerken aan vernieuwingen. Met hulp van een aantal ‘chain partners’ is de financiering (uniek, want voor 80% vanuit het bedrijfsleven) rondgemaakt om de proeffabriek te bouwen, die in april 2014 is geopend. Het netwerk dat toentertijd nog uit 25 partnerbedrijven bestond is inmiddels uitgebouwd naar 105.

 

Aan de slag met innovatie

De missie van Feed Design Lab is hét praktijk-, onderzoeks- en opleidingscentrum te zijn voor de diervoedersector, met als doel een belangrijke bijdrage te leveren aan vernieuwing en verduurzaming. Belangrijkste thema daarin vormen nieuwe, eiwitrijke grondstoffen zoals algen en insecten. Een ander thema, naast efficiency en milieu, is diergezondheid, dat ook al met algen een flinke boost kan krijgen. Daarin zitten onder andere omega 3-vetzuren die een gunstige werking op de gezondheid hebben en zo kunnen bijdragen aan een lager antibiotica- en medicijngebruik. Ook van insecten is wat dat betreft wel een en ander te verwachten, omdat er in het chitinepantser stoffen zitten die een positieve uitwerking hebben op de darmen. “Zoals gezegd zit er veel potentie in algen en insecten. Tegelijkertijd is er nog een verre weg te gaan voordat deze bronnen ook bedrijfseconomisch gezien volwaardige alternatieven zijn. Desondanks, en daar hamer ik op in mijn contacten met de partners, moeten we daar nu al op inzetten. We hebben hiervoor in samenwerking met de HAS een stageprogramma voor studenten opgezet, die steeds een stapje verder komen om algen en insecten als eiwitbron in te zetten in diervoeders.

Ook is onlangs een project afgerond met Brightlabs, waarbij de onderzoeksgroep van Koen Venema verteringstesten heeft uitgevoerd op algen en insecten in de TIM, een model dat de werking van de spijsvertering natuurgetrouw nabootst. Binnenkort starten we met een tiental bedrijven een project waarin we deze nieuwe eiwitbronnen op levende dieren gaan testen”, vertelt Trudy van Megen. “We proberen in ons netwerk innovatievragen boven te krijgen. Wat vinden jullie belangrijk? Wat is een vraag die je als bedrijf alleen niet kunt oppakken, maar waar je je wel druk om maakt, of waar je wat meer van wil weten? Dan kan ik een kennisbijeenkomst organiseren. Zo hebben we een keer een big data event georganiseerd.

Op het programma staat energiebesparing in de fabrieken, en ik denk dat de tijd ook rijp is voor een bijeenkomst over het 3D-printen van kweekvlees. Zo kwam ook de vraag naar boven of je echt soja kunt vervangen door algen of insecten. Groeien de dieren daar net zo goed op, zijn de prestaties hetzelfde? Dat zijn we nu dus aan het uitzoeken. En als dat gunstig uitpakt, gaan we ons druk maken over hoe we dat zo goed mogelijk in het voer krijgen.” Het Feed Design Lab team, dat naast Trudy bestaat uit een administratief-secretarieel medewerkster, een procestechnoloog, een procesoperator en een projectcoördinator, organiseert en begeleidt de projecten. De bedrijven die meedoen betalen de kosten. Zij zijn dan ook eigenaar van de kennis en besluiten zelf hoe ze daarmee omgaan. De resultaten van de studentenprojecten worden met alle partners gedeeld.

Verder-Scientific heeft de Retsch AS200 zeeftoren geleverd

voor het bepalen van de maalfijnheid. Dit apparaat is bij

uitstek geschikt voor de grote variëteit aan producten die

moet worden geanalyseerd. Door de regelbare aandrijving

kan het toestel optimaal op een product worden aangepast.

 

Proeffabriek

De proeffabriek van het Feed Design Lab is een diervoederfabriek op kleine schaal, waar batches van 100 kg tot om en nabij de 1000 kg per uur kunnen worden gemaakt. De diverse procesonderdelen worden gebruikt om te testen, te experimenteren of om proefvoeders te produceren. De stappen die kunnen worden doorlopen zijn: malen, mengen, zeven, conditioneren, expanderen/ extruderen, persen, drogen/koelen, wederom zeven en vacuüm coaten. Voor elk van die stappen zijn moderne, multifunctioneel inzetbare machines in de installatie opgenomen, die gebruik maken van de nieuwste technologieën. Naast machines die al jarenlang tot de standaard uitrusting van een diervoederfabriek behoren, is er ook innovatieve apparatuur te vinden die nog nauwelijks wordt toegepast.

Een voorbeeld daarvan is de cutter, een snijmolen met doseerunit voor het tot moes malen van ‘natte’ stromen’ zoals tomaten, meelwormen, appels en andere reststromen om deze onder continue toevoer in een droge bulkmassa te doseren. Hierdoor kan de traditionele voorbehandeling met water (en eventueel stoom) achterwege blijven. Dit scheelt veel energie, verlaagt de drempel voor de valorisatie van reststromen uit de voedselproductie en draagt bij aan de verduurzaming van veevoeders. Een andere innovatie is de POWLI (een acronym voor POWder to Liquid), een apparaat van IVS dat poeders op kant-en-klare korrels zet zonder dat je ontmenging krijgt.

 

De proeffabriek van het Feed Design Lab is een diervoederfabriek op kleine schaal,

waar batches van 100 kg tot om en nabij de 1000 kg per uur kunnen worden gemaakt.

De stappen die kunnen worden doorlopen zijn: malen, mengen, zeven, conditioneren,

expanderen/extruderen, persen, drogen, wederom zeven en vacuüm coaten. Ook

staan een snijmolen en de innovatieve POWLI opgesteld.

Veel poeders zijn of niet hittestabiel of het is een kleurstof of ze zijn contaminerend. Bijvoorbeeld anti-coccidiostatica, die worden toegepast als medicijn voor vleeskuikens, worden normaal in de menger gedoseerd (het tweede apparaat in de lijn), maar omdat deze stof vervolgens door je hele productielijn gaat, besmet je feitelijk de hele installatie. Draai je daarna een batch waar dit middel niet in mag zitten, dan moet je flink aan de slag met schoonmaken. Met de coater is het mogelijk om deze stoffen op het einde van het proces toe te voegen. Op basis van de POWLI-techniek worden geconcentreerde, droge microcomponenten omgezet naar een vloeibare vorm. Feitelijk worden de poeders gemengd en in een vloeistof zwevend gehouden. Daarna worden ze in de vacuümcoater direct op de korrel gezet.

 

In het fysische laboratorium, dat in de hal van de proeffabriek is opgezet,
vind je apparatuur voor het testen op parameters als maalfijnheid, slijtvastheid, pellethardheid en menguniformiteit. Door het raam is een deel van de trainingsruimte te zien.

 

Fysische testen

Het Feed Design Lab, dat vanuit de netwerk-, onderzoeks- en opleidingsactiviteiten jaarlijks zo’n 1500 bezoekers heeft, is voor de leveranciers van de procesapparatuur een mooie etalage. Dat geldt ook voor de bedrijven die testapparatuur ter beschikking hebben gesteld voor het fysische laboratorium, dat in de hal van de proeffabriek is opgezet. In het laboratorium vind je apparatuur voor het testen op parameters als maalfijnheid, slijtvastheid, pellethardheid en menguniformiteit. Voor het bepalen van de maalfijnheid wordt een door Verder-Scientific geleverde zeeftoren Retsch AS200 gebruikt. Dit apparaat is bij uitstek geschikt voor de grote variëteit aan producten die moet worden geanalyseerd. Door de regelbare aandrijving kan het toestel optimaal op een product worden aangepast. Bovendien is het snel werken met deze zeeftoren: zelfs na zeer korte zeeftijden heb je al scherp afgebakende fracties.

Verder-Sciencific is enkele jaren geleden actief benaderd door Trudy om te participeren in het Feed Design Lab. “Als we nieuwe apparatuur nodig hebben zoeken we bedrijven in de markt die dat als partner willen inbrengen. Wij zijn dan direct eigenaar van het apparaat en de waarde van het apparaat is bepalend voor een bepaald aantal jaren lidmaatschap. Zo is dat ook bij Verder- Scientific gegaan, die in eerste instantie twee jaar als community partner bij ons betrokken waren. Dat werkt twee kanten op. Wij creëren een schil van bedrijven die een extra binding hebben met Feed Design Lab, en die ook weer hun klanten over onze activiteiten kunnen informeren. De bedrijven op hun beurt hebben een podium voor innovatieve gebruikers, die in een praktijkomgeving hun testapparatuur toepassen. Dat bevalt heel goed merken we, want Verder-Scientific is na die twee jaar ‘gewoon’ community partner geworden en draait volop mee in het netwerk. Dat netwerk is eigenlijk ook een soort fabriek, die net als de proeffabriek steeds beter begint te draaien!”, lacht Trudy van Megen.

 

Verder-Sciencific

www.verder-scientific.com

 

Feed Design Lab

www.feeddesignlab.nl